Educatie en voorlichtingsmateriaal

ABR kennisvragen voor huisartsen:

Vraag 1:

Een patiënte (68 jaar) uit uw praktijk belt u op. Bij een recente ziekenhuisopname wegens een pyelonefritis is vastgesteld dat zij drager is van een MRSA. Zij is over het algemeen goed gezond en gebruikt geen medicatie. Zij past elke week op haar drie kleinkinderen, waaronder een kleinzoon van 7 jaar die wegens astma tweemaal per jaar op de polikliniek bij de kinderlongarts komt. Zij vraagt nu aan u of ze, gezien de MRSA, nog wel kan oppassen.

Wat is uw reactie?
a. U adviseert haar het oppassen te staken totdat zij een succesvolle MRSA eradicatiebehandeling heeft ondergaan
b. U zegt haar dat ze wel kan blijven oppassen, maar adviseert het lichamelijk contact met de kleinkinderen tot een minimum te beperken, totdat zij een succesvolle MRSA eradicatiebehandeling heeft ondergaan
c. U zegt dat zij gewoon zonder beperkingen kan blijven oppassen en nodigt haar uit op de praktijk om over een eventuele eradicatiebehandeling te komen spreken.

klik hier voor het antwoord


Vraag 2:

U krijgt een ontslagbrief over een patiënte uit uw praktijk, die opgenomen is geweest met een urosepsis. De brief maakt melding van de volgende urinekweek: E. coli. Antibiogram: amoxicilline R, amoxicilline-clavulaanzuur S, cefuroxim S, co-trimoxazol S, nitrofurantonine S, ciprofloxacine R, fosfomycine S, gentamicine R
Welke stelling(en) is of zijn juist?
1. Dit is een Bijzonder Resistent Micro-Organisme (BRMO)
2. Dit is een ESBL-producerende stam

a. 1 is juist, 2 is onjuist
b. 1 is onjuist, 2 is juist
c. beide zijn juist
d. beide zijn onjuist

klik hier voor het antwoord